Arachideolie en Pinda-allergie

[Bron: Natalie Chan en Froukje Harkes-Idzinga]

Pinda-allergie is één van de bekendste voedselallergieën bij kinderen en volwassenen. Milde symptomen zoals jeuk, oogbindvliesontsteking, lokale roodheid en zwelling van hals en gezicht kunnen voorkomen na blootstelling aan pinda-eiwitten, maar ook ernstige fatale reacties als anafylaxie.

Het allergeen dat voor een allergische reactie zorgt, is een eiwit. Er zijn 17 verschillende pinda-allergenen geïdentificeerd: Ara h 1 tot Ara h 17. Het Ara h 1 allergen zorgt voor 95% van alle allergische klachten.

Arachide-olie ofwel pinda-olie, wordt verkregen uit zaden van de pinda (Arachis hypogaea). Het is aanwezig als hulpstof in veel farmaceutische producten die worden toegepast op de huid.
Ruwe pindaolie wordt onderworpen aan diverse zuiveringsmethoden om een zuiver product te verkrijgen met minimale aanwezigheid van pinda-eiwitten. Hoe de olie is gezuiverd is vaak niet bekend. De arachideolie die verwerkt is in medicinale producten moet voldoen aan de eisen van de Europese farmacopee, al kun je nooit weten of de olie nog wat residueel eiwit bevat. Indien pinda-eiwitten in verschillende pinda-oliën gemeten worden, is het eiwitgehalte in onbewerkte oliën 100-300 µg/ml en is het gehalte in geraffineerde olie tot 100 keer lager[1].

In een wetenschappelijk onderzoek is de veiligheid van gezuiverde en ruwe arachideolie bij 60 personen met een pinda-allergie onderzocht[2]. Geen van de deelnemers had allergische reacties na het gebruik van gezuiverde arachideolie. Zes personen (10%) kregen milde allergische reacties na het gebruik van ruwe arachideolie. Lokaal gebruik van geraffineerde arachideolie bij huidpriktesten veroorzaakte geen huiduitslag, maar ruwe arachideolie wel[2,3]. In een review wordt genoemd dat onder een orale drempelwaarde van 100 µg pinda-allergenen geen allergische reacties zijn geobserveerd[4].

Geneesmiddelen die geraffineerde arachideolie bevatten dus zijn veilig voor mensen met een pinda-allergie. Ruwe arachideolie kan bij sommige individuen met een pinda-allergie milde allergische reacties oproepen en dient vermeden te worden. Omdat in geneesmiddelen geraffineerde arachideolie wordt gebruikt is de kans op een allergische reactie minimaal, maar nooit volledig uit te sluiten.

[1] Crevel et al: Allergenicity of refined vegetable oils in Food and Chemical Toxicology - 2000
[2] Hourihane et al: Randomised, double blind, crossover challenge study of allergenicity of peanut oils in subjects allergic to peanuts in British Medical Journal - 1997
[3] Kull et al: Peanut oil in vitamin A and D preparations: reactions to skin test and manifestation of symptoms in Pediatric Allergy and Immunology - 1999
[4] Ring et al: Allergy to peanut oil- clinically relevant? in Journal of the European Academy of Dermatology and Venereology - 2007

HAK drijft groei door innovaties in bonensegment

Het ziet ernaar uit dat Nederlanders steeds meer gewend raken aan het eten van bonen. Het gezondheidsbewustzijn van Nederlanders en de trend om meer plantaardige eiwitten te eten, is terug te zien aan de omzetcijfers van de peulvruchtenindustrie: de categorie is sinds 2014 met maar liefst 25% gestegen. Dat is goed voor een totale omzet van meer dan €65 miljoen in 2017. Het marktaandeel van HAK steeg naar 38%: een omzet van €25 miljoen. Mede door de innovaties op het gebied van verpakkingen en modernisering van het aanbod in bonen zag HAK haar omzet in de peulvruchtencategorie dit jaar stijgen met ruim 10%.
"We zien een verandering in het eetgedrag van de consument. HAK drijft de groei van peulvruchten, als marktleider, met bruine bonen, witte bonen (in tomatensaus) en kapucijners", aldus Nicole Freid, HAK's directeur marketing en innovatie. In het 'moderne' bonen segment (kidneybonen, kikkererwten, linzen, etc.) ziet HAK eveneens een enorm groeipotentieel. "Meer dan een kwart van dit segment is reeds in handen van HAK (26%). Door te blijven innoveren voorzien wij dat de groei van peulvruchten nog lang niet ten einde is".

Voor het vierde opeenvolgende jaar blijven de bruine bonen van HAK de favoriete peulvrucht van Nederlanders. De bonen in stazak maken de grootste groei door: introducties van de nieuwe varianten zorgden voor een verdubbeling van de omzet ten opzichte van 2016. De innovatieve stazak-verpakking zorgt voor een flinke aanwas van nieuwe consumenten in de categorie: maar liefst 35% van de kopers kocht voorheen geen bonen. Het stazak assortiment bestaat inmiddels uit veertien varianten en trekt vooral de jonge, moderne eter aan die op zoek is naar gezondere opties en vaker een dag in de week vlees laat staan.
In navolging van de reeds succesvolle campagne 'Bonen erbij', start op 16 april 2018 het offensief 'Geen week voorbij zonder bonen erbij' teneinde de consument aan te sporen minstens een keer per week een maaltijd te bereiden met bonen. Topkok Herman den Blijker en een selectie van een aantal invloedrijke foodbloggers zullen gedurende het jaar laten zien hoe makkelijk en hoe lekker het is om wekelijks voor een maaltijd met vezel- en eiwitrijke bonen te kiezen.

Freid: "Ondanks dat de bonenconsumptie de afgelopen jaren behoorlijk gestegen is, zit de boon nog steeds niet in de routine van de consument. Minder dan 20% van de consumenten eet wekelijks bonen terwijl het Voedingscentrum aanbeveelt om dat wél te doen. Met deze campagne schalen we onze missie om mensen te helpen meer bonen te eten op naar een wekelijkse: we gaan consumenten elke week verleiden en inspireren met lekkere bonenrecepten en (nieuwe) producten, zodat bonen steeds meer onderdeel uit gaan maken van het wekelijkse menu van de Nederlander. Ook zullen we in onze communicatie de voordelen van bonen meer naar voren brengen: krachtbommetjes vol vezels, vitamines én plantaardige eiwitten. Lekker tijdens een dagje zonder vlees."

Bron.

Wilde vogels voeren in je tuin

In Amerika is het voeren van wilde vogels één van de belangrijkste hobby's. Meer dan 45 miljoen Amerikanen zijn de laatste jaren omgetoverd tot zogenaamde 'backyard birders'. Steeds meer natuur wordt opgeofferd voor de uitbreiding van steden. Wilde vogels hebben het daardoor ook steeds moeilijker om voldoende voedsel te vinden.
Het voeren gaat eigenlijk het hele jaar door, maar hoe strenger de winter, hoe meer vogelvoer er ook aangekocht wordt door die liefhebbers.

Je zou denken dat het verkopen van wilde vogelzaad daardoor een lucratieve bezigheid is. Dat klopt. Maar wat veel interessanter is is dat het grootste zadenbedrijf van Amerika in Nederlandse handen is. Red River Commodities is namelijk een dochteronderneming van het Nederlandse beursgenoteerde bedrijf Acomo.

Red River Commodities levert speciaal op wilde vogels gerichte producten als zaden, niervet, nectar, meelwormen en meer. Welke winkel je ook binnenstapt, de kans dat je daar een merk van Red River Commodities zult tegenkomen is heel groot.

Naast talloze huismerken zijn de bekendste merken: Stokes Select, Valley Splendor, National Audubon Society en Pecking Order.
In Nederland lopen we tegen dezelfde problemen aan als in Amerika: verstedelijking, industrialisering en wegenbouw. Er is steeds minder ruimte voor de natuur. De mens kan in zijn achtertuin een stukje natuur creëren, maar kiest soms ietwat te gemakzuchtig voor tegels. Weg kans op wilde vogels.

Toch is het mogelijk om de vogels naar je grijze, troosteloze achtertuin te lokken. Wordt ook een 'backyard birder' en help de vogels door de lastige periodes van het jaar. Misschien dat Red River Commodities ook in ons land een dochteronderneming wil belasten met de verkoop van wilde vogelvoer. Of is het voer voor wilde vogels?

Lassie's bonenoffensief

Hak heeft de markt voor peulvruchten in Nederland behoorlijk overhoop gegooid. Het was een bedrijfseconomische beslissing om zich te concentreren op diverse soorten bonen. Bonen zijn namelijk lang houdbaar. Ze hoeven niet gekoeld te worden opgeslagen of direct na de oogst verwerkt te worden.
De strategische keus voor bonen heeft Hak geen windeieren gelegd en nieuwe introducties volgden elkaar in snel tempo op: bonenschotels in een stazak, bonensoepen en bonenburgers. De slogan 'Bonen erbij’ van Herman den Blijker is een gevleugelde uitdrukking geworden.

Goed voorbeeld doet goed volgen en dus zijn andere voedingsmiddelenbedrijven zich ook op bonen gaan storten. Het lastige is natuurlijk dat Hak de markt voor bonen al behoorlijk onder controle heeft gekregen. Zo heeft rijstverpakker Lassie ook het idee gekregen om zich in de markt voor bonen te storten.
Zij hebben een reeks minder bekende peulvruchten in het assortiment opgenomen, zoals mungbonen, groene linzen en splitkikkererwten. Bovendien is er keuze uit een Couscous & bonenburgermix en een Rijst & linzenburgermix.

Of Lassie succes heeft met hun introducties valt nog te betwijfelen. Het lijkt slechts een achterhoedegevecht te zijn.

Gewone boon

De gewone boon (Phaseolus vulgaris) is een peulvrucht die zich in stressvolle situaties evolutionair gezien snel van gedaante kan veranderen. Die eigenschap heeft geleid tot een aantal varianten, waaronder de sperzieboon, de bruine boon, de witte boon en de kidneyboon (nierboon).
De wilde boon groeide ooit alleen op het Amerikaanse continent. Tot voor kort werd gedacht dat de boon het eerst getemd in Midden-Amerika werd en daarna met maïs en pompoenen mee is gereisd naar het zuiden. De drie voedingsmiddelen vormen samen de 'drie zusters', die de basis vormen van de Amerikaanse landbouw en keuken.

Maar de werkelijkheid is toch wat weerbarstiger gebleken[1]. De wilde boon groeide inderdaad in Mexico, maar is op de een of andere manier ook terecht gekomen in noordelijk Peru en Ecuador. Beide locaties vormden een aparte genepool. Van daaruit mengden deze 'oerbonen' (Phaseolus pseudovulgaris) zich met plaatselijke familieleden, waaronder de Phaseolus dumosus en Phaseolus coccineus. Dat alles resulteerde in een boon die zich snel aan kan passen aan een nieuwe omgeving en die eigenschap kan ook tegenwoordig nog gebruikt worden om bonen te ontwikkelen met nieuwe of verbeterde eigenschappen.
Bonen werden door Spaanse kolonisten naar Europa vervoerd, samen met andere culinaire schatten als aardappelen, tomaten en chilipepers. De eerste bonen kwamen iets na het jaar 1500 in Spanje aan. Daarna verspreidde de boon zich snel over Europa. Wetenschappelijk onderzoek toonde aan dat het gehele Europese continent intussen gezien kan worden als een aparte genepool[2].

Er bestaan dus nu wereldwijd een drietal regio's waar de gewone boon afzonderlijk kan evolueren. Dat is goed nieuws voor onze vaderlandse veredelaars. Zo gewoon is de gewone boon dus helemaal niet.

[1] Rendón-Anaya et al: Genomic history of the origin and domestication of common bean unveils its closest sister species in Genome Biology - 2017. Zie hier
[2] Angioi et al: Beans in Europe: origin and structure of the European landraces of Phaseolus vulgaris L. in Theoretische und angewandte Genetik – 2010

Erwt

De erwt (Pisum sativum) is een peulvrucht en behoort tot de vlinderbloemenfamilie (Leguminosae). Er bestaan nogal wat variaties en cultivars van de erwt. De bekendste daarvan zijn: doperwt, kreukerwt, kapucijnererwt, groene erwt, gele erwt, schokker, blauwschokker, rozijnerwt, grauwe erwt, peultjes en suikererwt (sugar snaps).
Het woord 'erwt' lijkt een vreemde eend in de bijt van de Nederlandse taal. Het is via het oud-Nederlandse erwit en het Latijnse ervum afgeleid van het Griekse orobos of erebinthos, wat 'wikke' betekent. Het is het geslacht waartoe tegenwoordig de tuinboon (Vicia faba) behoort en die is dus ook nauw verwant aan de erwt.

Doperwten worden veelal geteeld voor de verwerkende industrie. Ze worden verkocht in glas, in blik en diepgevroren. In diverse landen van het Verre Oosten, zoals Japan, Thailand, Taiwan en Maleisië wordt de erwt geroosterd en gezouten als snack gegeten. In Engeland wordt de landbouwerwt in een traditioneel puddinggerecht gebruikt.

De gele erwt wordt voor de veevoederindustrie geteeld.

De spliterwt is afkomstig van de gedroogde landbouwerwt, waarbij de zaadhuid verwijderd wordt, waardoor de erwt in twee helften uiteenvalt. Het voordeel ervan is, dat er geen zaadhuiden zijn en daarom wordt hij dan ook gebruikt voor het maken van erwtensoep. De gedroogde erwt moet gewoonlijk wel eerst een etmaal geweekt worden.

De meeste erwten worden gepeld gegeten, maar van sommige variëteiten, met name de peultjes en de sugar snaps, zijn ook de (jonge) peulen eetbaar.

Erwten zijn rijk aan voedingsvezels, vitamine B1, fosfor, ijzer en zink. Bovendien zijn ze vetarm, eiwitrijk en een bron van magnesium.

Boekweit

Om direct een dreigend misverstand uit de wereld te helpen, meld ik nu al dat boekweit (Fagopyrum esculentum) geen graan is, maar de ongeveer zes millimeter grote zaadjes van een struik. Je kunt het daarom vergelijken met zonnebloempitten. Het gevolg daarvan is dat boekweit geen gluten bevat en dus perfect past in een glutenvrij dieet.
Boekweit behoort tot de duizendknoopfamilie. Het is een middelhoge, rechtopstaande, eenjarige zomerbloeier. De plant bloeit met witte tot roze bloemen, samengevoegd in pluimpjes. De driekantige zaden lijken op beukenootjes, wat het eerste deel van het woord 'boekweit' verklaart. Het tweede deel, weit, is een oud woord voor 'tarwe'. Zelfs de Engelsen hebben met buckwheat datzelfde woord van ons geleend.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Fagopyrum, is een combinatiewoord. In het Latijn was fagos 'beuk' en in het Grieks was puren (πυρήν) was 'kern' of 'pit'. Samengevoegd is dat dus 'beukenoot'. Het tweede deel, esculentum, is een vorm van het Latijnse werkwoord edere, wat 'eten' betekent.
De wortels van boekweit stonden oorspronkelijk in zuidoost-China, waar het al zo'n 6,000 vChr werd verbouwd. Het viel zo in de smaak dat het de hele wereld overtrok. Rond 5,300 vChr was het al aanbeland in Finland, meegenomen tijdens een van de vele volksverhuizingen.

In ons land werd boekweit in de 17de en 18de eeuw voornamelijk verbouwd op afgebrand hoogveen. Het was het enige gewas dat nog een beetje op die arme gronden kon gedijen. Tegenwoordig is de opbrengst te gering om de verbouw van boekweit in ons land rendabel te krijgen.

Ooit was het dus een belangrijke bron van noodzamelijk voedingsstoffen, maar die functie is na verloop van jaren overgenomen door de aardappel, die onooglijke ingedroogde bollen die Columbus meenam naar Spanje van zijn reizen naar Zuid-Amerika.

Je zou dus kunnen verwachten dat boekweit in de Lage Landen zo'n beetje uit het straatbeeld is verdwenen, maar Nederland zou Nederland niet zijn als er handel in gezien werd. Ons land is namelijk wereldmarktleider op het gebied van handel in boekweit. Vooruitgang is namelijk niet altijd vooruit, maar soms ook cyclisch en daar profiteert boekweit van. Tegenwoordig wil men 'eerlijk' eten op het bord en wil men van exotische gerechten genieten. Aan die eisen voldoet boekweit met gemak.
Pasta van boekweit? In Japan is soba populair, dunne noedels op basis van boekweit, die daar nog steeds dienst doen als basisvoedsel in hun noedelsoep. Het gebruik stamt uit de Tokugawa periode (1603 tot 1868), toen iedere wijk meerdere 'restaurants' had waar men die voedzame soep serveerde.

Cacaoboon

Zo'n 5,000 jaar geleden werd de cacaoboon al in de een of andere vorm geconsumeerd door de inwoners van het Mexicaanse schiereiland Yucatan. De cacaoboon of cacaopeul van de cacaoboom (Theobroma cacao) is de uiteindelijke bron van het gedroogde en volledig gefermenteerde zaad. Het oorspronkelijke domein van de cacaoboom bestrijkt zuidelijke delen van Midden-Amerika en noordelijke delen van Zuid-Amerika.
Een drietal variëteiten domineren de wereldmarkt. De Forastero omvat zo'n 80 tot 90 procent van de wereldmarkt. De Criollo wordt gezien als een echte delicatesse, al zullen plantages, die deze varieteit produceren, genoegen moeten nemen met een lagere opbrengst. De Criollo wordt voornamelijk in Venezuela verbouwd. Tot slot is er de Trinitario, een hybride van de Forastero en de Criollo, die stamt van het Caraibische eiland Trinidad.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Theobroma, is een combinatiewoord uit het Grieks, waar theos (Θεός) 'god' betekent en broma (βρῶμα) 'voedsel'. Samen is dat dus 'voedsel van de goden'. Het tweede deel, cacao, heeft ons via de Spaanse conquistadores bereikt en die hebben het geleend vanuit de oude taal van de Azteken, het Nahuatl, waar cacahuatl 'boon van de cacaoboom' betekent.

De naamgeving van de cacaoboon geeft al duidelijk aan dat de oorspronkelijke plaatselijke bevolking grote waarde hechtte aan de cacaoboon. Ze maakte er een chocoladedrank van die vaak werd versterkt met chilipepers. Het wordt dus een potente drank.
De cacaopeul wordt met een machete voorzichtig in tweeën gehakt, waardoor de cacaoboon zichtbaar wordt. De peul zelf wordt weggegooid, maar het vruchtvlees en de tot 50 zaden worden in de zon gelegd. Daar moeten ze een paar dagen 'zweten', waarbij het dikke vruchtvlees vloeibaar wordt en een fermentatieproces ondergaat.

Cacao is rijk aan allerhande anti-oxidanten, maar heeft ook een stimuleren effect als gevolg van de aanwezigheid van theobromine en cafeïne. Er bestaan nogal wat wetenschappelijke onderzoeken die positieve eigenschappen hebben ontdekt van het consumeren van cacao of donkere chocolade. Zo zou het de kans op het krijgen van hart- en vaatziekten kunnen verminderen en een bloeddrukverlagende werking bezitten[1][2].
Dat chocola een ietwat verslavende werking kan bezitten is niet zo'n probleem, want je moet regelmatig donkere chocolade eten om van de veronderstelde positieve eigenschappen te kunnen genieten. Wereldwijd zijn er gelukkig steeds meer cacaobomen aangeplant om aan de voortdurend stijgende consumptie te voldoen.

[1] Buijsse et al: Cocoa intake, blood pressure, and cardiovascular mortality: the Zutphen Elderly Study in Archives of Internal Medicine – 2006
[2] Schroeter et al: (-)-Epicatechin mediates beneficial effects of flavanol-rich cocoa on vascular function in humans in PNAS – 2006

Huttentutzaad

Van de huttentut (Camelina sativa) heb je waarschijnlijk nog nooit gehoord. Toch was het ooit in Nederland een belangrijk landbouwgewas. Zo bekend was de huttentut dat hij een hele serie regionale namen heeft gekregen, waaronder dederzaad, vlasdodder of vlasdotter. In Engelstalige landen staat hij bekend als camelina, gold-of-pleasure, false flax wild flax, linseed dodder, German sesame or Siberian oilseed.
Het is dus wel duidelijk dat de huttentut inheems moet zijn van Engeland tot aan Siberië. De huttentut behoort tot de uitgebreide familie van de kruisbloemigen (Brassicaceae). Het is een eenjarige plant, die in hoogte varieert van 30 tot 120 centimeter. De zijstengels worden gedurende het jaar houtig van structuur. Dat maakte die stengels perfect voor het gebruik als bezem. De huttentut bloeit met vaalgele bloemen en de kleine zaden hebben een karakteristieke oranje kleur.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Camelina, is een combinatie woord uit het Grieks. Wikipedia gelooft dat het eerste deel als 'grond' vertaald moet worden, maar ze hebben het fout. Kamai (Καμαι) betekent namelijk zoiets als neer(leggen) of neer(slaan) en linon (λινον) betekent 'vlas'. Samen verklaart het het bijgeloof dat huttentut in staat is om de energie van vlas te kunnen verminderen. Het tweede deel, sativa, betekent in het Latijn 'gezaaid' of 'gecultiveerd'.

De huttentut werd traditioneel geteeld voor diens plantaardige olie. Het werd ingezet als lampenolie. De koek, de restanten die overbleven na het persen, deed dienst als veevoer. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat men al rond 1000 vC in het oude Griekenland is begonnen met het telen van deze nuttige plant. De huttentut werd namelijk verbouwd op plaatsen die niet meer geschikt bleken voor olijfbomen.

Tot de Tweede Wereldoorlog was de huttentut een belangrijk gewas, zeker omdat gedurende die tijd de Duitsers behoorlijk last kregen van embargo's. Ze moesten wel hun tanks en vliegtuigen voltanken met huttentutolie.
Er wordt intussen onderzoek verricht of de huttentut niet aan een revival zou kunnen beginnen. De plant is namelijk bijzonder rijk (tot wel 45%) aan omega-3-vetzuren. Het is eigenlijk zeer geschikt als bakolie. En dus hadden ze daar in Griekenland helemaal gelijk: als er geen olijven en olijfolie zijn neem je gewoon huttentutzaad en huttentutolie.

Mocht je overigens willen weten wat het woord 'huttentut' betekent, dan bevindt je je in goed gezelschap: via 'huttegetut' komen taalkundigen uit bij 'klein grut', vanwege de kleine zaadjes. In diezelfde woordfamilie zit ook 'hutje mutje': als je met teveel mensen in een te kleine ruimte zit.

Een Nederlands alternatief voor pindakaas?

Ook in ons land zijn er nogal wat mensen die last hebben van notenallergie. Pindakaas is een geliefd broodbeleg, maar notenallergie en pindakaas gaan niet samen. Als ouder van een aantal kinderen zit je dus met een groot probleem, want als één van je kinderen een notenallergie heeft, zul je geen pindakaas in huis kunnen halen voor je andere kinderen. Er kan immers kruisbesmetting plaatsvinden.

Wat is dan het alternatief?

Je zou kunnen wachten tot het beurgenoteerde bedrijf Acomo eindelijk besluit SunButter van hun Amerikaanse dochteronderneming Red River Commodities in ons land te introduceren. Dat kan nog wel even duren, want Red River Commodities heeft in Nederland geen verkooporganisatie voor merkproducten als SunButter.
Een tweede mogelijkheid is Hak. Het bedrijf heeft zich de laatste jaren gespecialiseerd in peulvruchten (en appelmoes) en probeert via innovatie de omzet van peulvruchten te vergroten. Eén van de eerste innovaties waren de bonenburgers die begin 2017 werden geïntroduceerd. Maar je kunt zoveel meer met peulvruchten doen.

In Canada produceert het bedrijf Mountain Meadows Food Processing hun NoNuts Peabutter (nee, geen peanut butter), gemaakt van brown peas (bruine erwten) ofwel kapucijners. Net als SunButter is Peabutter vrij van de acht meest voorkomende allergenen.
Een pindakaasalternatief op basis van kapucijners van Nederlandse bodem kan door de afdeling productontwikkeling van Hak een geweldige uitdaging betekenen. Ik heb er al een merknaam voor verzonnen: e-Pasta (de voorspelbare afkorting van erwten-Pasta).

Parfum van Tijgernoten (of chufa's)

De herkomst van tijgernoten (of chufa's) is verborgen in de duisternis van de geschiedenis, maar we weten wel dat ze al in het oude Egypte op grote schaal verbouwd werden.
De tijgernoten waren zo waardevol geacht dat ze samen met de mummies van belangrijke Egyptenaren werden ingesloten in tombes. Een farao moest namelijk wel goed doorvoed in het hiernamaals aankomen en de voedzame grondnoten waren daar perfect geschikt voor.

Restanten van tijgernoten werden aangetroffen in graven en tombes vanaf 4,000 vC, dus al zo'n 6,000 jaar geleden. In de graftombe van grootvizier Rekh-Mi-Re', een hoge Egyptische ambtenaar, die rond 1,500 vC stierf, toont een wandschildering hoe arbeiders tijgernoten op een hoop scheppen, terwijl een klerk de hoeveelheiden noteert. Die Egyptenaren kookten de grondnoten in bier of roosterden ze als snack.
Papyrusrestanten geven ons het idee dat tijgernoten werden gebruikt als medicijn, voedsel en parfum[1]. Alleen het gebruik als voedsel heeft de geschiedenis overleefd, maar de wetenschap heeft het parfum uit de tijgernoot weten te destilleren. Men omschrijft de geurs als een houtachtige geur, die bekend staat als cypriol of nagarmotha met facetten van vetiver, ceder en patchouli. Het is dus een behoorlijk zware, mannelijke geur. Het vormt eigenlijk ook de grondtoon van het beroemde mannelijke parfym Drakkar Noir.
Het parfum was zelfs nog in zwang tijdens de klassieke oudheid, in de tijd van de Minoïsche (op Kreta: van 3,000 tot 1,200 vC) en de Myceense beschaving (in Griekenland: van 1,600 tot 1,100 vC).

[1] Moshe Negbi: A sweetmeat plant, a perfume plant and their weedy relatives: A chapter in the history of Cyperus esculentus L. and C. rotundus L in Economic Botany - 1992

De geschiedenis van tijgernoten (of chufa's)

Het lijkt vreemd, maar in de Spaanse stad València zijn tijgernoten (of chufa's) onderdeel van een oeroude traditie. Waarom juist daar of waarom slechts daar en nauwelijks elders in Spanje (en dan vergeten we gemakshalve de streek rond Barcelona)?

De eerste meldingen van de cultivatie van tijgernoten (of chufa's) stammen uit het Egypte van de farao's. In de graftombe van Renkmire, vizier van de farao Tuthmose III (1479–1425 vC), werden resten van brood, gemaakt van chufa, aangetroffen. In Egypte werden deze aardnoten bijzonder gewaardeerd om hun voedingswaarde. Maar met de teloorgang van het oude Egypte lijkt ook de tijgernoot van het toneel te zijn verdwenen. Maar is dat wel zo?
[Van knolcyperus naar chufa]
Maar die veronderstelde 'dark ages' vallen wel mee, want zelfs in de tijd van de farao's waren de Arabieren al handelaren, die allerhande goederen over de toen bekende wereld vervoerden. Geen wonder dat chufa zelfs nu nog een delicatesse is in grote delen van donker Afrika.


Dat het lijkt alsof we een paar millennia kwijt zijn is dus maar schijn. Na hun verovering van grote delen van zuidelijk Spanje rond het jaar 711 nC, introduceerden de Arabieren de knolcyperus in de regio rond València. Juist daar waren de omstandigheden perfect voor de knolcyperus. Er bestaan boeken, waarin gemeld wordt, dat er omstreeks de dertiende eeuw in de buurt van València een drank van chufa werd gefabriceerd, een voorvader van de huidige horchata.

In de zeventiende eeuw schreef John Gerarde (1545–1612) in het kruidenboek 'Herball, or Generall Historie of Plantes' (1597), dat chufa ook geconsumeerd werd in het Italiaanse Verona. Daar stond het tot in de achtiende eeuw nog bekend als bagigi, een verbastering van het Arabische woord ḥabb 'aziz, dat letterlijk 'lekker zaad' of 'goed zaad' betekent.

En dus vraag ik me af waar de naam 'chufa' vandaan komt. De meest geaccepteerde verklaring is dat het woord afgeleid is van het Latijnse cyphi dat zoiets moet betekenen als 'geur van galangal (ofwel geelwortel)'. In Frankrijk bestaat het oude woord souchet, dat zijn Latijnse voorganger wat algemener laat klinken '(a plant) whose roots smell very sweetly'.
Met andere woorden: iedere plant met geurige wortels was cyphi, souchet of chufa. Bovendien meldde de Arabische benaming ook al dat de wortels lekker zijn. Die observaties kloppen allemaal: de tijgernoot (of chufa) smaakt heerlijk nootachtig zoet.
Wil je tijgernoten (of chufa's) eens proberen, dan kun je ze hier bestellen.

Tijgernoot (of chufa)

Een zeer hardnekkig onkruid, zo wordt knolcyperus (Cyperus esculentus) hier te lande genoemd. Hij behoort tot de cypergrassenfamilie (Cyperaceae), waartoe ook het papyrusriet (Cyperus papyrus) behoort.
Knolcyperus is een eenjarige of meerjarige plant, die tot 90 centimeter hoog kan groeien met een enkele biesachtige stengel vanuit een knol. De knolcyperus is herkenbaar aan zijn roze ‘voetje’. Een enkele plant kan zich in een seizoen naar alle zijden meters ver uitbreiden. Onder optimale omstandigheden kan één moederknol in één groeiseizoen ongeveer 200 planten en 8000 knollen vormen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Cyperus, is afkomstig uit het Grieks, waar κύπειρος (kypeiros) 'zegge' betekende. Het tweede deel, esculentus, is een vervoeging van het Latijnse woord esca, dat 'voedsel' of 'eetbaar' betekent.

In de landen van herkomst, de landen rond de Middellandse Zee, wordt de knolcyperus als voedsel gezien. In Egypte werd hij al 6000 jaar geleden geteeld voor zijn eetbare knollen. Daar werden ze gekookt in bier or geroosterd. Zelfs nu wordt hij nog in Spanje verbouwd en worden de knollen tijgernoten (nee, niet die van Duyvis), aardamandelen of chufa's genoemd. Vooral in de omgeving van de Spaanse stad Valencia worden ze ook gebruikt voor een melkachtige drank, Horchata de chufa.
De knollen zijn dus eetbaar en worden tegenwoordig in sommige kringen zelfs gezien als een superfood. Ze hebben een zoetige, wat nootachtige smaak. Omdat tijgernoten vrij hard zijn worden ze gewoonlijk eerst in water geweekt voordat ze gegeten worden.

De tijgernoot levert veel energie als gevolg van de aanwezigheid van zetmeel, vet, suiker en proteïnes. Verder bevat het mineralen (voornamelijk fosfor en kalium) plus de vitamines E en C. De olie van de tijgernoten bevat 18% verzadigd vetzuur en 82 procent onverzadigd vetzuren: oliezuur (een omega-9-vetzuur) en linolzuur (een omega-6-vetzuur).

Als akkerbouwer ben je echter mooi de pineut als hij (of zij) de knolcyperus op je perceel aan zou treffen. Dan wordt direct een absoluut teeltverbod voor alle akker- en tuinbouwgewassen, waaronder maïs en gras, opgelegd. Het op dat perceel verbouwde gewas wordt ook aan strenge regels onderworpen om verspreiding van het onkruid tegen te gaan. Daarnaast is de boer verplicht om de knolcyperus rigoureus te bestrijden en verdere verspreiding te voorkomen. Daarna is het perceel verboden gebied en wordt het ieder jaar streng gecontroleerd. Pas als drie jaar achtereen geen knolcyperus wordt aangetroffen wordt het teeltverbod opgeheven. Bovendien moet de boer ook nog eens financieel bijdragen aan alle kosten, die gemaakt worden bij de bestrijding van deze pest.
Wil je tijgernoten (of chufa's) eens proberen, dan kun je ze hier bestellen.

Cactuszaad

De eerste gedachte bij het lezen van de titel van deze column is er waarschijnlijk eentje van ongeloof. Wie eet er nu cactuszaad? Dit is het verhaal achter een nieuwe hype.
De prickly pear (Opuntia ficus-indica) is ook bekend onder diens Israëlische benaming 'sabra fruit'. Maar goed, de hype spreekt over de prickly pear en dus doen wij dat ook maar. Het is een cactussoort die ooit alleen inheems was in Mexico en daar lang geleden door de Maya's gedomesticeerd is. Het fruit van deze cactus, hier gewoonlijk cactusvijg genoemd, smaakt wat zoetzuur en lijkt wat op die van een peer. Het zijn vruchten die met enige omzichtigheid 'gepeld' moeten worden: op de leerachtige schil bevinden zich vele kleine stekels die gemakkelijk in de huid dringen. Het beste is de cactusvijg op dezelfde manier te behandelen als een mango.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Opuntia, is genoemd naar de oude Griekse stad Opus (Ὀποῦς), waar volgens een legende ooit een eetbare plant groeide die vermeerderd kon worden door worteldelen te begraven. Het tweede deel, ficus-indica, is Latijns voor 'Indische vijg', maar de cactus lijkt daarop in het geheel niet en is zelfs niet verwant aan die plant.

Al in de zestiende eeuw werden de eerste prickly pears overgebracht naar Noord-Afrika omdat het klimaat in de Sahara niet veel andere gewassen kan voortbrengen. Van daaruit heeft de teelt zich uitgebreid en intussen zijn Marokka en Israel de grootste producenten van de cactusvijg (of Sabra). In Australië is de cactus in de achttiende eeuw ingevoerd om tuinen wat kleur te geven. Daarna werd de plant gebruikt als heg rondom landbouwpercelen. Geen goed idee, zo bleek al snel en de prickly pear werd al snel een invasief onkruid en op dit moment is bijna 300,000 vierkante kilometer landbouwgrond verworden tot een ondoordringbare jungle van prickly peren.

Omdat het fruit van de prikly pear ook wordt gebruikt voor sapproductie, bleef men natuurlijk zitten met allerhande restproducten, waaronder pulp, schillen en pitten. Er is wat onderzoek gedaan naar die pitten en het bleek dat er hoge concentraties (~60%) linolzuur, een omega-6-vetzuur[1]. Dat is inderdaad veel, maar zonnebloemolie bevat evenveel linolzuur.

Verder onderzoek toonde aan dat er in de zaden maar weinig vitamine E (~0,4 mg/gram) – in al zijn verschijningsvormen – in voor te komen[2]. In zonnebloemolie zit echter wel ~50 mg/gram vitamine E.
Met andere woorden: in zonnebloemolie zitten meer gezonde stofjes verstopt dan in de pitjes van de prickly pear. Maar op internet circuleren nu reclames van aanbieders van de olie van de prickly pear met loze kreten als: '9 Prickly Pear Oil Benefits That Will Make Your Skin Look Younger Overnight!'

Zoals altijd verzinnen de verkopers simpelweg de vermeende voordelen van deze olie. Het voedt, is vochtinbrengend en verzachtend, vermindert huidveroudering, voorkomt rimpels en al die andere zaken die ietwat angst gaan inboezemen bij het stijgen der jaren. Overigens kun je ook gewoon je gezicht insmeren met zonnebloemolie. Da's een stuk goedkoper.

[1] Chouqui et al: Oil composition and characterisation of phenolic compounds of Opuntia ficus-indica seeds in Food Chemistry – 2013
[2] Ghazi et al: chemical composition and antioxidant activity of seeds oils and fruit juice of Opuntia Ficus Indica and Opuntia Dillenii from Morocco in Journal of Materials and Environmental Science – 2013

Boternoot (of witte walnoot)

De witte walnoot (Juglans cinerea) is een boom, die van nature voorkomt in het oosten van de Verenigde Staten en Zuidoost-Canada. De witte walnoot is een boom tot twintig meter hoog, met uitschieters tot zelfs veertig meter meter. De schors is lichtgrijs en gegroefd. De bladeren zijn tussen de 40 en 70 centimeter lang. Het is een samengesteld blad dat tot 17 deelblaadjes heeft. Die deelblaadjes zijn harig en lichtgroen. De mannelijke bloemen zijn hangende katjes. De vrouwelijke bloemen zijn harig en vormen zich in clusters van twee tot vijf.
De schil van de bolster is harig en groen tot bruinachtig groen van kleur. De eetbare boternoot (of witte walnoot) is ovaal van vorm.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Juglans, is afkomstig uit het Latijn, waar het een samenvoeging is van Jōvis en glans. Normaal betekent glans 'eikel', maar soms werd het woord ook wel gebruikt als alternatief voor nux ('noot'). Samenvattend betekent het dus 'noot van (de god) Jupiter. Het tweede deel, cinerea, is ook al Latijn en betekent 'grijs' en benoemt de kleur van de bast.

Uiteraard is de witte walnoot zeer nauw verwant aan de (Europese) walnoot (Juglans regia).

In het Engels wordt deze noot vaak butternut genoemd, maar dat kan verwarring opleveren. De naam butternut wordt namelijk ook gebruikt voor de muskaatpompoen (Cucurbita moschata). Daarom is 'witte walnoot' misschien de meest duidelijke term voor deze noot.

Gedurende de Amerikaanse Revolutie maakte men een extract van de schors van deze boom in de hoop dat het drinken daarvan pokken zou voorkomen, ernstige diarree kon behandelen en andere maag- en darmstoornissen zou kunnen verhelpen.

Notenallergie

Vrijwel alle voedingsmiddelen van plantaardige en dierlijke oorsprong bevatten eiwitten. Voedselallergie is een abnormaal sterke reactie van het menselijk afweersysteem op die eiwitten. De specifieke eiwitten, die een afweerreactie veroorzaken, noemen we allergenen.

Door het lichaam worden deze allergenen ten onrechte als indringers gezien en het afweersysteem reageert hierop door het aanmaken van antistoffen. Elke keer als het allergeen wordt herkend, komen de antistoffen direct in werking. Dit heet ‘sensibilisatie’. Deze antistoffen noemen we Immunoglobulin E ofwel IgE. Elk allergeen heeft zijn eigen specifiek IgE. Als reactie komen allerlei stoffen in het lichaam vrij, waaronder histamine. Dit noemen we de allergische reactie.

In principe kan ieder voedingsmiddel, dat eiwit bevat, een allergische reactie opleveren, maar er zijn een aantal die vaker dan gemiddeld problemen opleveren. Dat zijn pinda's, noten, soja, melk, eieren, tarwe, vis, schaaldieren, mosterd, sulfieten en sesamzaadjes. De eerstgenoemde acht zorgen voor 90 procent van de gevallen.

Om een allergie te voorkomen was lange tijd is het standaard voedingsadvies geweest je baby niet te vroeg pap, koemelk, noten of vis te geven. Maar kinderen die al vroeg pindakaas krijgen, hebben juist veel minder vaak pinda-allergie dan kinderen die pinda’s hebben vermeden. Onderzoek heeft ondertussen uitgewezen dat pindakaas en andere potentiële allergenische voedingsmiddelen zo vroeg mogelijk in het dieet van baby's zouden moeten worden opgenomen, want juist dan wordt voedselallergie voorkomen[1],[2],[3]. Het wordt intussen ook aanbevolen om baby's, die borstvoeding krijgen, zo snel mogelijk een botenhammetje met pindakaas aan te bieden[4].

[1] Du Toit et al: Randomized Trial of Peanut Consumption in Infants at Risk for Peanut Allergy in New England Journal of Medicine – 2015
[2] Du Toit et al: Effect of Avoidance on Peanut Allergy after Early Peanut Consumption in New England Journal of Medicine – 2016
[3] Du Toit et al: Prevention of food allergy in Journal of Allergy and Clinical Immunology – 2016
[4] Perkin et al: Enquiring About Tolerance (EAT) study: Feasibility of an early allergenic food introduction regimen in Journal of Allergy and Clinical Immunology – 2016

Granaatappelpitten

De granaatappel (Punica granatum) is een grote struik of kleine boom die uiteindelijk zo'n acht meter hoog kan worden. Van oorsprong stonden de wortels van de granaatappelboom in wat nu Iran is, maar sinds onheuglijke tijden werd de boom aangeplant in het hele Middellandse Zeegebied voor diens smakelijke fruit: de granaatappel.
De granaatappel lijkt misschien vaag op een granaat, maar dat is toch niet de reden voor de naam. Het is juist anders om: granaatappels en granaten hebben qua naam beide eenzelfde oorsprong. De naam stamt van het Latijnse woord granatus ('veelzadig') dat gemakkelijk te herleiden is tot granum ('graan' of 'zaad'). We ontdekken dus nu dat de woorden 'granaat' en 'graan' inderdaad dezelfde bron hebben. In de Middeleeuwen werd deze vrucht in het Engels apple of Granada genoemd, naar de Spaanse province die destijds in handen van de Moren was. Die oude Engelse naam is in onbruik geraakt, maar leeft nog stilletjes voort in de heraldiek, het gebruik van familiewapens.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Punica, stamt uit het Latijn, waar de Romeinse wetenschapper Plinius (23-79 nC) de vrucht malum Punicum noemde. Dat kan vertaald worden als 'appel van Phoenicië'. Dat was ooit een land wat nu ongeveer het huidige Libanon bestrijkt. Het tweede deel, granatus, is hierboven al verklaard.

Granaatappels worden voornamelijk gebruikt voor het maken zeer gezond vruchtensap dat boordevol vitamines A, C, E en B11 (foliumzuur) zit. Maar de vele eetbare pitjes zijn helemaal gewild, zeker grote delen van de oude wereld, waaronder Centraal Azië, noordelijk Afrika, de drogere delen van zuidoost Azië en het hele Middellandse Zeegebied. De laatste jaren probeert men de granaatappelpitten ook Nederland te introduceren, al kenden wij het sap uiteraard al tijden onder de naam grenadine.
Granaatappelpitten worden in de Indiase en Pakistaanse keukens veel gebruikt als specerij en wordt daar anardana genoemd. Anardana (soms ook wel daaru, dalim of daran) is gemaakt van in de zon gedroogde en daarna vermalen zaadjes (plus het daaraan gehechte vruchtvlees) van iets te zure granaatappels. Ze worden toegepast als zurig ingrediënt in de vele chutneys en curry's die de regio rijk is.

In de Griekse keuken worden granaatappels (ρόδιrodi) gebruikt in vele recepten, waaronder koliva (κόλλυβα) – en niet kollivozoumi zoals Wikipedia foutief beweert - een romige bouillon van gekookte tarwe, granaatappels en rozijnen.

Granaatappelpitten bevatten veel vitamine C, K en B11. Ze zijn een goede bron voor voedingsvezels. Verder zitten er hoge gehaltes aan onverzadigde vetzuren in verborgen: punisch zuur (65.3%), oliezuur (6.3%) en linolzuur (6.6%). Er zitten ook nog wat lage gehaltes aan verzadigde vetzuren in, waaronder palmitinezuur (4.8%), stearinezuur (2.3%).

Vijg

De vijg (Ficus carica) hoort thuis in zwoelere streken, die ver ten zuiden van ons liggen en ze zijn daar met de historie en de cultuur van die Mediterrane regio verweven. Hij hoort dus van nature thuis in Zuid-Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Het is een boom of grote struik, die tot een meter of zes hoog kan reiken. Ziet u zichzelf al liggen onder een schaduwgevende vijgenboom, genietend van een koel glas wijn? Dan hoeft u niet meer zo ver als voorheen te reizen want de vijg groeit ook hier in het veel koelere Nederland, al haalt hij hier slechts het niveau van een behoorlijke struik.
De vijg is een broertje van de ficus (Ficus benjamina) en heeft, net zoals zijn broertje ook al heeft, last van huidirriterende latex. Maar de vijgenboom is natuurlijk het meest bekend door zijn vrucht, de vijg. Daardoor is de vijg al sinds onheuglijke tijden gedomesticeerd en wordt door sommigen zelfs gezien als de alleereerste boom die zichzelf door de mens liet temmen. Het is een cultuurvolger geworden en hij komt nu zelfs in delen van het Amerikaanse continent voor.

De het eerste deel van de wetenschappelijke naam van de ficus, Ficus, betekent in het Latijn gewoon ‘vijg’, maar dat vertelt ons nog niets. Het kan verder herleid worden tot het Griekse sukon (συκον) en daar herkennen we het Hebreeuwse shiqmâh (שִׁקמָה) en het Sumerisch sukannu in. Zonder klinkers (die bestonden nog niet) wordt dat dus škn, wat zoiets betekende als 'wonen' of 'leefbaar'. Er werd vaak in de buurt van vijgenbomen een dorp gesticht. Het tweede deel, carica, is Grieks van oorsprong (Καρία) en betekent '(van) Karia', een regio welke thans deel uitmaakt van westelijk Turkije.

In vroegere tijden werd de vijgenboom als een heilige boom gezien door alle volkeren rondom de Middellandse Zee. De boom werd alom gekoppeld aan vruchtbaarheidsrites.

Traditioneel werden vijgen gebruikt om allerhande kwalen te bestrijden. Natuurlijk werd de vijg gegeten om verstopping tegen te gaan, maar ook ziektebeelden als bronchitis, hoog cholesterol, vitiligo (de witte huidvlekken waaraan Michael Jackson zou lijden), psoriasis (een chronische huidziekte) en zelfs diabetes zouden niet bestand zijn tegen de gezonde stofjes die zich in de vijg verborgen houden. Uitwendig zouden wratten niet tegen de al genoemde latex kunnen.

Tijd dus om de waan en werkelijkheid eens van elkaar te gaan scheiden. Voorlopig onderzoek doet vermoeden dat de antioxidanten in de vijg en het vijgenblad inderdaad werkzaam zijn tegen diabetes type-1, maar verder onderzoek is beslist noodzakelijk. De bladeren van de vijgenboom blijken bij ratten een cholesterolverlagend effect te hebben. De latex van de vijgenboom lijkt inderdaad zonder bijverschijnselen werkzaam te zijn tegen wratten.

Het effect van de vijg op huidproblemen is zeer ongewis. Wat wel duidelijk is, is dat de latex behoorlijk huidproblemen kan opleveren. Dat noemen ze fytophorodermatitis, een eczeemachtige reactie die ontstaat onder invloed van zonlicht nadat de latex met de huid in aanraking is gekomen. Dus de mogelijk werking van de vijg tegen psoriasis en vitiligo zou best wel eens een gevolg van de negatieve effecten van de vijg zelf kunnen zijn. Ieder voordeel heb z’n nadeel, zei een bekende Nederlander ooit.

Omdat de vijg al eeuwen geleden gedomesticeerd is is het ook geen wonder dat er tegenwoordig meer dan 700 rassen bestaan die allemaal hun eigen geografische plekje in het Middellandse Zeegebied hebben. Zie bijvoorbeeld hier voor een overzicht.

Vlasbouw bij Kimswerd

Gastcolumn van Reinder Politiek

In mijn dorp Kimswerd werd al eeuwen vlas verbouwd. Vlasbouw had twee doelen het zaad van de plant en linnen. Van de plant werd het linnen gemaakt en voor 1930 waren hier een 40-tal zogenaamde braakhokken waar in de winter de vlasplanten werden gebraakt. In de zomer was het al gerepeld en in het vlas in sloten geroot, zodat het in de winter gebraakt kon worden.
Voor een paar centen gingen vaak werkeloze mannen in zo’n tochtig koud hok vlasbraken. Het was het slechtste werk wat je maar kon bedenken. De hoeveelheid stof was zo groot dat je bijna niemand in het hok zag. Die mannen kregen zware longproblemen. Er was in die periode hier zelfs een dominee die wilde die mannen niet tijdens de preek in de kerk. Door hun gehoest werd hij teveel gestoord!

In het voorjaar kwamen die mannen als spookachtige lijken weer uit hun hokken. Volgens de vlasbrakers  sloop 'de Dood' de gehele winter rondom dat hok om zijn kans te grijpen. Het linnen, wat uiteindelijk overbleef, is nooit door hen gedragen, noch zijn de lakens door hen gebruikt.
Hier werd het witbloeiende ras CONCURRENT verbouwd. Tijdens de bloei werd het geregeld door ambtenaren van de NAK, Nederlandse Algemene Keuringsdienst, gekeurd en gecontroleerd op ziekten en vermenging van andere rassen. Het gekeurde zaad werd dan ook duur verkocht voor zaaizaad. Ongekeurd zaad werd grotendeels in oliemolens gemalen. De vrijkomende lijnolie was een ideaal product voor de verf en linoleumindustrie.

Iedere veeboer had een zakje lijnmeel in huis. Het was een voortreffelijk 'glijmiddel' bij een zware verlossing bij koeien en schapen. Als je koeien lijnkoeken voerde kon je dat aan het haar van die beesten waarnemen. Het glom van de olie. Stamboekboeren waren net als hun koeien verzot op lijnkoeken. De koeien vertoonden zich dan op hun best voor kopers.

Ieder jaar werd hier in maart het nodige vlas gezaaid, want de opbrengsten waren financieel zeer groot. Hier groeide namelijk vlas van uitmuntende kwaliteit en de Belgische vlashandelaren waren er verzot op.

Toen de nylon en ander kunstvezels op de markt kwamen was het uit met de vlasbouw. Jammer, want vlas zorgt er voor dat de grond het volgende jaar een hogere opbrengst zou geven.

Blauwmaanzaad

Gastcolumn van Reinder Politiek

In de oorlog was het verbouwen van blauwmaanzaad zeer lucratief. Koolzaad was verplicht want de Duitsers eisten het zaad op voor de olie. Bij blauwmanen (blauwmaanzaad) was dat niet zo streng maar wel moest alle zaad bij hen ingeleverd worden. Bij de dorsmachine stond altijd een strenge controleur en die moest eerst om de tuin geleid worden of tijdens een plaspauze om dan een aantal zakken zaad te gaan stelen van je eigen gewas. Koolzaad en blauwmaanzaad werd ’s nachts illegaal geperst met zelfgemaakte persen. De olie was in de oorlog onmisbaar voor lampolie en om er in te bakken.
Als kinderen mochten wij absoluut niet in het gewas komen. De verdoving tijdens het bloeien en vlak daarna kon je fataal worden. Als je in slaap viel zou je niet weer wakker worden.

Na de oorlog schoot de prijs van maanzaad naar grote hoogten. De olie werd in straaljagers gebruikt. Pas toen men synthetische olie maakt zakte de prijs weer naar normaal en werd er daarna weinig blauwmanen meer verbouwd.

Als de bollen rijp waren loerden spreeuwen op het zaad. Ze maakten met hun scherpe snavel onder de bol een klein gaatje en lieten daarna steeds hun bek vol lopen met zaad. Na enige uren waren ze stoned en konden amper meer vliegen.

Na de oorlog moesten we tijdens het dorsen het kaf van de bolsters opvangen in zakken en dat ging naar een fabriek in Gelderland. Daar werd er een verdovende stof uit gehaald. Die stof werd bij bevallingen gebruikt.

Calvé Pindakaas

De geschiedenis van Calvé begon in 1883 toen De Nederlandsche Oliefabriek (NOF) in Delft werd opgericht door Jacques van Marken (1845-1906), toenmalig eigenaar van de NV Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek, later Gist-Brocades en nu een onderdeeltje van DSM. De bedoeling was om uit pinda's arachide-olie te produceren. Aanvankelijk was het bedrijf daarom vooral bekend van de Delftsche Slaolie die er werd vervaardigd.
Al in 1897 fuseerde de De Nederlandsche Oliefabriek met de Franse concurrent van de gebroeders Emmanuel en George Calvé en kreeg de naam 'Nederlandsche Oliefabrieken (NOF) Calvé-Delft', later afgekort tot NOF Calvé. Van Marken zette zelfs in Egypte een 'grondnotenplantage' op om zo de toevoer van grondstof in eigen beheer te krijgen[1].

Na het overlijden van Van Marken, nam de Margarine Unie, een voorloper van Unilever, NOF Calvé in 1928 over van de erven Van Marken.
Pas in 1948 begon Calvé-Delft eindelijk met de productie van pindakaas. Geen idee waarom dat zolang heeft moeten duren, maar ik vermoed dat het product werd afgekeken van de Amerikanen, want daar was peanut butter al meer dan een halve eeuw een heerlijk broodbeleg. Bij de Amerikanen is een peanut butter banana sandwich zeer in trek. Bij ons niet.

Omdat we hier in Nederland een koloniale geschiedenis hebben waarvan we geleerd hebben dat pittig eten heerlijk en gezond is, vinden vele landgenoten de pindakaas het lekkerst met wat sambal.

[1] Wim Wennekes: De Aartsvaders: Grondleggers van het Nederlandse Bedrijfsleven - 1993

Pindakaas: de alternatieven

Natuurlijk is pindakaas geen 'kaas'. Tegenwoordig zou de Europese regelgeving krachtig optreden tegen het misbruik van het woord, want kaas is alleen kaas als je het natuurlijk proces van rijpen niet beïnvloedt. Vervang je bijvoorbeeld de melkvetten door plantaardige oliën, die rijk zijn aan onverzadigd vet, dan mag er al geen 'kaas' meer op de verpakking staan. Creatieve geesten vervangen het woord dan uiteraard door 'kees'. 
Pindakaas is een smeersel van pinda's dat in Engelstalige landen uiteraard peanut butter ('pindaboter') wordt genoemd, maar ook dit woord zou in ons land tegen dezelfde problemen aanlopen. Pindaboter is namelijk geen zuivelproduct en zou dus een verboden benaming zijn.

Hoe wij aan het woord 'pindakaas' zijn gekomen is een beetje een raadsel, maar vermoedelijk stamt het uit ons koloniale verleden. In 1783 verscheen het handgeschreven 'Neger-Englisches Wörterbuch' van C.L. Schumann (hier) en daarin was het woord 'Pinda-Käse' opgenomen als vertaling van het Sranaanse woord 'pinda-dokkunnu'. Het ging hierbij echter om een blokvormige massa gestampte pinda's, waarvan – net als bij kaas - plakken werden afgesneden.

Als smeersel op je boterham is pindakaas echter ongeëvenaard en supergezond. Pindakaas is rijk aan plantaardige vetten en eiwitten, vitamines B1, B3 (niacine), linolzuur, inositol en resveratrol.

Maar pindakaas is niet voor iedereen een geschikt broodbeleg, aangezien er nogal wat mensen bestaan met een notenallergie. Zelfs de blootstelling aan zeer kleine hoeveelheden nootfragmenten kunnen ernstige anafylactische reacties veroorzaken. Lichtere symptomen van een notenallergie zijn zwelling van de keel, astma, netelroos of andere huidirritaties.

Om toch te kunnen genieten van de smaak en de textuur van pindakaas zijn er de laatste jaren enkele alternatieven ontwikkeld.
[1] SunButter is gemaakt van zonnebloempitten. SunButter is een broodbeleg dat perfect de smaak van pindakaas weet te benaderen. Het bezit nét zoveel eiwitten als de gewone pindakaas. Bovendien is het vrij van de acht grootste allergenen, waardoor het geschikt is voor mensen met allerhande allergische problemen. Ook is het glutenvrij. SunButter wordt in de Verenigde Staten geproduceerd door Red River Commodities, een dochteronderneming van het Nederlandse beursgenoteerde bedrijf Acomo.
[2] PeaButter is gemaakt van bruine erwten. Vermoedelijk worden hiermee kapucijners bedoeld. PeaButter is volstrekt vrij van gluten, noten en pinda's. Het product is pas in 2002 voor het eerst in Canada geproduceerd en wordt tegenwoordig op de markt gebracht door Mountain Meadows Food Processing.
[3] NotNuts is gemaakt van mung beans of groene bonen (Vigna radiata). Aangezien de mung bean verwant is aan de erwt, heeft NotNuts dezelfde voordelen als PeaButter. Het broodbeleg is op de markt gebracht door het Australische bedrijf Food from the Earth.
[4] SoyNut Butter is gemaakt van sojabonen (Glycine max). Laten we het hier maar bij houden, want de producent werd begin 2017 gedwongen zijn 'pindakaas' terug te roepen wegens een gevaarlijke E.coli-besmetting met de Shiga toxin-producing Escherichia coli O157:H7. In totaal werden er 29 besmettingen gemeld na het eten van I.M. Healthy SoyNut Butter.

Maïs

Enkele decennia geleden zag je vrijwel nooit maïs (Zea mays) op een akker staan, maar tegenwoordig is het een gewas dat veelvuldig wordt aangeplant. Maïs is een graan dat van warmte houdt en daaraan is in ons koele kikkerlandje vaak een chronisch gebrek. Toch wordt tegenwoordig in Nederland jaarlijks meer dan 100,000 hectare snijmaïs geteeld, voornamelijk bestemd als veevoer. En omdat het klimaat hier nauwelijks geschikt is voor maïs worden de zaden niet rijp. Er zijn echter wel vroege tot zeer vroege rassen ontwikkeld, die voor de teelt van korrelmais gebruikt kunnen worden.
Indianen ofwel Native Americans hebben maïs duizenden jaren geleden in Midden-Amerika 'getemd'. Het is lang een raadsel geweest uit welke plant maïs is ontstaan omdat er geen voorvader in het wild groeit. Uiteindelijk is men uitgekomen bij een groepje verwante grassoorten die gezamenlijk de naam teosinte (letterlijk: 'god-maïs' ofwel 'goddelijke maïs') dragen. Zowel DNA-onderzoek als archeologische opgravingen tonen aan dat de oorspronkelijke bewoners al tussen 10,000 en 6,250 jaar geleden met het proces van domesticatie zijn begonnen[1]. Het proces zelf kan wel enkele honderden jaren geduurd hebben voordat een oermaïs ontstond.
[Teosinte, de voorvader van maïs]
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Zea, is afgeleid van het Griekse woord zeia (ζεία), waarmee vermoedelijk spelt werd aangeduid. Mogelijk staat dat woord weer in verband met zao (ζαω) dat 'leven' heeft betekend. Het tweede deel, mays, is afkomstig van de Spaanse vorm van het woord, maíz, dat op zijn beurt weer is geleend van het uit het Taíno, een inheemse taal, afkomstige woord voor de plant; mahiz.

Intussen behoort maïs wereldwijd tot één van de basisvoedingsmiddelen. Toen maïs voor het eerst in andere culturen dan de Midden-Amerikaanse werd geïntroduceerd, werd het gewas enthousiast onthaald wegens diens grote opbrengst. Het duurde niet al te lang voordat men last kreeg van wat bijverschijnselen als ondervoeding. Dat was een mysterie omdat datzelfde probleem niet werd gezien bij de inheemse bevolking, waar maïs ook al het belangrijkste voedingsmiddel was, Uiteindelijk bleek dat de Meso-Americanen, de voorvaderen van de Indianen, al rond 1200-1500 vC geleerd hadden om de maïskorrels eerst te weken in alkali (loogzout), gemaakt van as en limoensap. Dit proces maakte niacine ofwel vitamine B3 vrij en beter opneembaar. Het gebrek aan niacine was de onderliggende oorzaak voor een stoornis die men nu pellagria noemt. De symptomen hiervan zijn huidaandoeningen, diarree en dementie. Gelukkig komt dit probleem in Nederland niet voor als gevolg van ons gevarieerde aanbod van voedsel.
Voor de mensen, die geloven dat gluten levensgevaarlijke effecten op je lichaam heeft, is maïs een goede vervanger. Het bevat namelijk geen gluten. Wel bevat maïs een zogenaamd lipid transfer protein, een onverteerbaar eiwit dat zelfs koken kan overleven[1]. Dit eiwit is in verband gebracht met een zeldzame allergie als gevolg van het eten van maïs. Je moet dus blijven oppassen met wat je eet.

[1] Piperno et al: Late Pleistocene and Holocene environmental history of the Iguala Valley, Central Balsas Watershed of Mexico in Proceedings of the National Academy of the USA - 2007  
[2] Pastorello et al: Lipid-transfer protein is the major maize allergen maintaining IgE-binding activity after cooking at 100 degrees C, as demonstrated in anaphylactic patients and patients with positive double-blind, placebo-controlled food challenge results in The Journal of Allergy and Clinical Immunology – 2003

Kafferkoren (of Sorghum)

Kafferkoren of Sorghum (Sorghum bicolor) behoort tot een geslacht uit de grassenfamilie (Poaceae). De soorten van dit geslacht komen voor in vrijwel de hele wereld, maar slechts één soort wordt voor menselijke consumptie geteeld. De naam kafferkoren is natuurlijk afgeleid van het woord 'kaffer' dat op zijn beurt geleend is van het Arabische woord kafir, dat nog steeds 'ongelovige' betekent. Qua woord is er dus niets aan de hand, maar omdat mensen tegenwoordig zo snel gekwetst zijn zullen we het  in het vervolg van deze column toch maar hebben over 'sorghum'.
Sorghum werd al rond 3000 vC gedomesticeerd op de savannes van West-Afrika en Ethiopië. Van daaruit heeft het gewas zich over geheel Afrika verspreid. Ongeveer 2000 vC werd sorghum ook verbouwd in Centraal-India, een bewijs van de vroege contacten tussen beide gebieden. In Egypte werd ze als cultuurplant pas belangrijk vanaf de vroeg-islamitische tijd (640-1250 nC). Afrikaanse slaven brachten sorghum begin 17e eeuw mee naar de Verenigde Staten, waar nu het grootste gedeelte van de wereldproductie plaatsvindt teneinde maïs te vervangen als veevoer.

Sorghum is een eenjarig gewas dat afhankelijk van het ras 0,6 tot wel 5 meter hoog kan worden, terwijl de stengel vijf tot meer dan dertig millimeter dik worden. De bladeren lijken op die van maïs, maar zijn iets korter en breder. De pluim is gewoonlijk compact bij sorghums, die ten behoeve van menselijke voeding (food) wordt verbouwd, terwijl hij open is bij varianten die voor dierlijke voeding (feed) wordt geteeld.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Sorghum, levert de nodige problemen op. De meest aannemelijke verklaring is dat het afstamt van het in de Middeleeuwen gesproken Latijn, suricum granum, dat vertaald kan worden als 'graan uit Syrië'. Sorghum kwam in die periode kennelijk vanuit Syrië. Het tweede deel, bicolor, lijkt me duidelijk: het betekent 'tweekleurig' in het Latijn. De zaden zijn tweekleurig.
Gezien zijn herkomst is sorghum een graan dat zich het meest thuisvoelt in tropische en subtropische oorden. Sorghum is in onze contreien lastig te telen omdat de plant veel zonuren nodig heeft. Maar de vaderlandse kwekers hebben wel voor hetere vuren gestaan en hebben door veredeling rassen ontwikkeld die ook in onze gematigde streken kunnen floreren. Ook lijkt sorghum onverwachte kwaliteiten te bezitten, want de soort kan zich goed handhaven bij verzilting van de ondergrond en het graan is glutenvrij. Dat is een plezierige bijkomstigheid voor het toenemend aantal consumenten dat zegt te kampen met glutenallergie.

Voor wat betreft voedingswaarde kan sorghum zich meten met tarwe. Het bevat grote hoeveelheden van bepaalde essentiële voedingsstoffen, waaronder vitamine B6, ijzer en mangaan.

Teff

Teff (Eragrostis tef) is een grassoort en een graansoort, al zullen de meeste mensen er nog nooit van gehoord hebben. Het is een gewas uit het geslacht van de liefdesgrassen (Eragrostis) en is inheems in grote delen van Ethiopië en Eritrea, ooit een deel van Ethiopië, maar recent afgescheiden na een bloedige onafhankelijkheidsoorlog. Het is ook populair in armere landen en gebieden als Somalië, Jemen, Noord-Kenia en Zuid-Soedan. De populareit van teff neemt zienderogen toe en het wordt tegenwoodig ook al in India, Australië en, jawel, de Verenigde Staten verbouwd.
Teff is kan een hoogte bereiken van zo'n 120 centimeter en is in principe een eenvoudig te verbouwen gewas: het houdt van temperaturen tussen de 10 en 27oC . Bovendien kan teff tegen droogtestress (tijdens de droge periodes in de woestijn) en tegen wateroverlast (tijdens de natte periodes). De maximale productie wordt behaald op akkers die rond de 2,000 meter hoogte liggen.

Teff zou zich hier eigenlijk niet zo op zijn gemak moeten voelen want de bloemen moeten eigenlijk ook nog eens twaalf uur zonlicht per dag hebben. Toch wordt het gewas soms in ons land verbouwd. Het areaal aan teff in Nederland bedroeg in 2005 zo'n 240 hectare. Doordat de verkoop achter bleef en de consument niet veel van de positieve effecten van het product wist, wordt de graansoort tegenwoordig alleen nog maar geteeld op proefvelden.
In diens thuislanden is teff echter een belangrijk voedselgewas. Daar wordt het gebruikt voor platte broden met de namen als injera, keyta of laxoox. Daartoe mengt men teffbloem met water en laat het mengsel enkele dagen gisten, precies zoals bij zuurdesem. Hierdoor krijgt de injera een lichtzurige smaak. Vervolgens wordt het in platte koeken gebakken.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Eragrostis, is een combinatiewoord uit het Grieks, waar erao (εραω) 'verliefd zijn' betekent en anthemion (ανθεμιον) een verkleinwoord is van anthos, wat 'bloem' betekent. Samen is dat dus zoiets als 'verliefd zijn op bloemetjes'. Het tweede deel tef is vermoedelijk afgeleid van een Ethio-Semitische woord tff, dat 'verloren' betekent en de superkleine graankorrel beschrijft.

De grootte van de teffkorrels is inderdaad miniem, want 150 korrels wegen evenveel als één tarwekorrel. Daardoor is het fysiek onmogelijk om de vliesjes van de zaden af te slijpen en is teffmeel dus altijd volkorenmeel. Toch is dat geen probleem omdat één halm zoveel korrels ontwikkelt dat hij uiteindelijk het gewicht ervan nauwelijks meer kan torsen.

Is teff uit voedingskundig oogpunt een interessant gewas? Het bevat geen gluten en is dus geschikt voor mensen met een glutenintolerantie. Het zit bovendien boordevol waardevolle micronutiënten (vitamines en mineralen), waaronder ijzer, calcium, koper en mangaan.

Vreemd dat we wel quinoa helemaal uit Zuid-Amerika halen, terwijl we geen homegrown teff willen consumeren. Onbekend maakt onbemind, zullen we maar zeggen.